Wido Bourel (°1955) heeft het verhaal opgeschreven waarom hij Nederlands heeft geleerd. Deze Frans-Vlaming groeide op in de jaren ’60 en’70 van de vorige eeuw en was actief in verschillende Frans-Vlaamse verenigingen. Zijn studies Nederlands en geschiedenis brachten hem in Nederland en uiteindelijk in Vlaanderen waar hij zich blijvend vestigde.
Telkens als hij in zijn jeugd het kerkhof van Kaaster bezocht, overviel hem de gedachte dat de doden er onderling met elkaar Vlaams spraken. Hij wilde hen begrijpen en voelde zich de drager van een erfenis zonder testament. Dat testament heeft hij uiteindelijk zelf geschreven.
Het begon allemaal in het Lycée des Flandres in Hazebroek met een Vlaamse club. Bourel kreeg er de bijnaam "le Flamand". In Steenvoorde volgde hij een cursus Nederlands, gesteund door het Komitee voor Frans-Vlaanderen (KFV). Al snel ontmoette hij Luc Verbeke, algemeen secretaris van het KFV, de schrijver André Demedts en de priester en taalkundige Cyriel Moeyaert.
In de jaren ’70 kwam hij op voor bedreigde monumenten en verzette zich tegen de atoomcentrale van Grevelingen. De woorden “autonomie”, “federalisme” en “vrijheid” verschenen op bruggen en wegen.
Bourel kiest ondubbelzinnig voor het Nederlands: bezorgd kijkt hij vandaag naar de promotie van het Vlaams, “als een taal, los van, of zelfs tegen, het Nederlands”. En hij voegt eraan toe: “De Franse jacobijnen lachen in hun vuistje om zoveel Vlaamse naïviteit”.
Bourel woont nu in Bouwel bij Antwerpen. Het is lang geleden dat hij, fietsend, de Waaslandtunnel onder de Schelde in Antwerpen indook, omdat hij geen …brug vond. De politie pakte hem op en dropte hem ergens in een bos buiten de stad.
Wido Bourel, Een erfenis zonder testament. Hoe en waarom ik Nederlands leerde, 2010 (uitgegeven in eigen beheer).
Lees ook dit blogbericht.
(Tekst: Luc Devoldere)
Wido Bourel (°1955) explique dans un petit ouvrage ce qui l’a amené à apprendre le néerlandais. L’auteur a grandi en Flandre française dans les années 60 et 70 du siècle dernier. Il a été actif dans différentes associations flamandes françaises. Ses études de néerlandais et d’histoire l’ont amené aux Pays-Bas puis en Flandre belge, où il s’est établi définitivement.
Chaque fois qu’il venait au cimetière de Caëstre, dans sa jeunesse, il s’imaginait que les morts parlaient flamand entre eux. Il voulait les comprendre et se sentait dépositaire d’un héritage sans testament. Finalement, c’est lui qui a écrit ce testament.
Tout a commencé au lycée des Flandres, à Hazebrouck, avec un club flamand. Bourel y est surnommé « le Flamand ». A Steenvoorde, il suit un cours de néerlandais financé par le Komitee voor Frans-Vlaanderen (Comité pour la Flandre française (KFV)). Il ne tarde pas à faire la connaissance de Luc Verbeke, secrétaire général du KFV, de l’écrivain André Demedts ainsi que du prêtre et linguiste Cyriel Moeyaert.
Dans les années 70, il s’investit dans la sauvegarde des monuments en péril et manifeste contre l’implantation d’une centrale nucléaire à Gravelines. Les mots « autonomie », « fédéralisme » et « liberté » apparaissent à l’époque sur les ponts et le long des routes.
Bourel opte sans hésitation pour le néerlandais : il observe aujourd’hui avec inquiétude la promotion du flamand « comme une langue indépendante voire rivale du néerlandais ». Et ajoute : « Les jacobins français s’amusent de voir tant de naïveté flamande ».
Bourel réside maintenant à Bouwel, dans la province d’Anvers. Le jour est loin, en effet, où, ne trouvant pas de pont sur l’Escaut à Anvers, il s’était engagé à vélo dans le Waaslandtunnel (interdit aux cyclistes) mais avait été embarqué dans un véhicule de police et déposé dans un bois, à l’extérieur de la ville.
Wido Bourel, Een erfenis zonder testament. Hoe en waarom ik Nederlands leerde (Un héritage sans testament. Pourquoi et comment j’ai appris le néerlandais), 2010 (édité à compte d’auteur).
Lisez aussi.
(Texte: Luc Devoldere)