Op maandag 28 januari ging tijdens een plechtige bijeenkomst in de Budascoop van Kortrijk de Eurometropool Lille-Kortrijk-Tournai van start. Veertien verschillende overheden uit Frankrijk, België, Vlaanderen en Wallonië creëerden hiermee een nieuwe structuur voor grensoverschrijdende samenwerking. Deze nieuwe structuur neemt – en dat is een primeur in Europa - de rechtsvorm aan van een
Europese Groepering voor Territoriale Samenwerking (EGTS). De Eurometropool Lille-Kortrijk-Tournai heeft volgens haar statuten als hoofdopdracht “een efficiënte en coherente grensoverschrijdende samenwerking te bevorderen en te ondersteunen in het betreffende gebied”. Belangrijk is ook dat in de statuten het principe van de tweetaligheid erkend wordt en dat het Frans en het Nederlands dus als werktaal zullen worden gebruikt.
Pierre Mauroy wordt de eerste voorzitter van de Eurometropool,
Stefaan De Clerck (Vlaanderen),
Rudy Demotte (Wallonië) en
Martine Filleul (Conseil régional Nord-pas-de-Calais) zijn ondervoorzitter gekozen. De Eurometropool zal in 2008 kunnen beschikken over een budget van 989.900 €. Het is de bedoeling om op korte termijn een algemeen directeur en een secretariaatsmedewerker aan te werven, later kan het personeelsbestand uitgebreid worden tot 10 personeelsleden. De maatschappelijke zetel van de Eurometropool komt in Rijsel. Volgens afspraak zal het bureau in België gevestigd worden, maar bij de oprichting was nog niet beslist waar dat precies zal zijn.
Aan beide zijden van de grens besteedde de pers uitgebreid aandacht aan deze gebeurtenis. Uit de verschillende artikelen blijkt dat heel wat betrokkenen grote verwachtingen koesteren. Thema’s als arbeid, mobiliteit, veiligheid, onderwijs, milieu, enz. moeten in de Eurometropool ter sprake kunnen komen. Dat zijn belangrijke dossiers die de bevolking onmiddellijk aangaan.
De werking van de Lille-Kortrijk-Tournai zal dan ook met grote interesse gevolgd worden. Als het een succes wordt, kan dit ook een goed model zijn voor echte Europese samenwerking. Over een jaar moet de eurometropool echt operationeel zijn en over drie jaar volgt dan een eerste evaluatie.
Le lundi 28 janvier a marqué la naissance officielle de l’Eurométropole Lille-Kortrijk-Tournai au Budascoop de Coutrai (Kortrijk). Quatorze autorités publiques (francaises, belges, flamandes et wallonnes) ont ainsi créé une nouvelle structure de coopération transfrontalière. Cette nouvelle structure prend la forme juridique – et c’est une première en Europe - de Groupement européen de coopération territoriale (GECT). Selon ses statuts, l’Eurométropole Lille-Kortrijk-Tournai a pour mission principale « de promouvoir et de soutenir une coopération transfrontalière efficace et cohérente au sein du territoire concerné ». Il faut également retenir dans les statuts le principe du bilinguisme, qui permet l’utilisation du francais et du néerlandais comme langues de travail.
Pierre Mauroy sera le premier président de l’Eurométropole, Stefaan De Clerck (Flandre), Rudy Demotte (Wallonie) et Martine Filleul (Conseil régional Nord-pas-de-Calais) ses vice-présidents. En 2008, l’Eurométropole pourra disposer d’un budget de 989.900 €. Il est prévu de recruter à brève échéance un directeur général et un secrétaire, pour étendre ensuite à 10 personnes les effectifs. Le siège social de l’Eurométropole est établi à Lille. Il a été convenu que le bureau se trouvera en Belgique, mais on ne sait pas encore précisément où pour le moment.
Des deux côtés de la frontière, la presse s’est intéressée à l’évènement. Différents articles font apparaître qu’un grand nombre de personnes concernées peuvent nourrir de grands espoirs. Des thèmes comme le travail, la mobilité, la sécurité, l’enseignement ou l’environnement seront traités dans le cadre de l’Eurométropole. Ce sont des dossiers importants qui touchent directement la population.
Le fonctionnement de l’Eurométropole Lille-Kortrijk-Tournai sera donc suivi avec grand intérêt. Si le succès est au rendez-vous, l’Eurométropole pourra devenir un bon modèle pour une véritable coopération européenne. Dans un an, elle doit devenir pleinement opérationnelle, et dans trois ans elle fera l’objet d’une première évaluation.